Proeftoets rekenen
Naam:
Datum:
Je hebt 45 minuten voor 30 sommen. Een rekenmachine mag niet, kladpapier wel. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een som niet? Ga door en kom er later op terug.
-
1.
310 van 30 = ?
Antwoord:
-
2.
Mila koopt een T-shirt van € 15,- en betaalt met € 20,-.
Hoeveel geld krijgt Mila terug?Antwoord: €
-
3.
In welke maand werden de meeste ijsjes verkocht?
Verkochte ijsjes per maand Maand Verkochte ijsjes april 37 mei 80 juni 27 juli 92 augustus 48 A april
B mei
C juni
D juli
E augustus
-
4.
Reken uit: 50 × 300
Antwoord:
-
5.
De autorit naar de camping duurt 240 minuten.
Hoeveel uur is dat?Antwoord: uur
-
6.
Reken uit: 28.000 : 40
A 70
B 700
C 800
D 7.000
-
7.
Hoeveel is de 6 waard in het getal 26.351?
Antwoord:
-
8.
Rond 6867 af op honderdtallen.
A 6800
B 6870
C 6900
D 7000
-
9.
Op een plattegrond met schaal 1 : 100 is de slaapkamer 5 cm lang.
Hoe lang is de slaapkamer in het echt?Antwoord: m
-
10.
170 ml = … cm³
Antwoord: cm³
-
11.
Op een plattegrond met schaal 1 : 100 is het klaslokaal 7 cm lang.
Hoe lang is het klaslokaal in het echt?Antwoord: m
-
12.
Reken uit: 283 + 346
Antwoord:
-
13.
Op een plattegrond met schaal 1 : 100 is de zolder 7 cm lang.
Hoe lang is de zolder in het echt?Antwoord: m
-
14.
Op een plattegrond met schaal 1 : 100 is de keuken 4 cm lang.
Hoe lang is de keuken in het echt?Antwoord: m
-
15.
Welk getal komt hierna?
1322314049…A 59
B 116
C 58
D 57
-
16.
Welke breuk is het kleinst?
A 14
B 12
C 112
D 34
-
17.
Hoeveel graden geeft de koortsthermometer aan?
A 37,2 °C
B 37,3 °C
C 37,4 °C
D 37,7 °C
-
18.
Hoe schrijf je 94.569 in woorden?
A vierennegentigduizend vijfhonderdzesennegentig
B vijfennegentigduizend vierhonderdnegenenzestig
C vierennegentigduizend vijfhonderdnegenenzestig
D vierennegentigduizend zeshonderdnegenenvijftig
-
19.
4,2 − 3,1 = ?
Antwoord:
-
20.
Een spelletje in de app kost 3 munten. Bram heeft 28 munten.
Hoeveel spelletjes kan Bram kopen?Antwoord:
-
21.
Op een kaart met schaal 1 : 20.000 is de rand van een bos 9 cm lang.
Hoeveel kilometer is dat in het echt?Antwoord: km
-
22.
Op een plattegrond met schaal 1 : 100 is de keuken 4 cm lang.
Hoe lang is de keuken in het echt?Antwoord: m
-
23.
Op welke dag zijn de meeste fietsen gestald?
A maandag
B dinsdag
C woensdag
D donderdag
E vrijdag
-
24.
Op een kaart met schaal 1 : 100.000 is de weg tussen twee dorpen 3 cm lang.
Hoeveel kilometer is dat in het echt?Antwoord: km
-
25.
Het is 5 mei.
Welke datum is het over 23 dagen?A 29 mei
B 28 mei
C 4 juni
D 27 mei
-
26.
Op een plattegrond met schaal 1 : 200 is de badkamer 2 cm lang.
Hoe lang is de badkamer in het echt?Antwoord: m
-
27.
Reken uit: 17.343 − 16.757
A 486
B 586
C 686
D 1.414
-
28.
Hoeveel vijfden zitten er in 4?
Antwoord:
-
29.
Een plein heeft deze vorm: 9 m breed en 10 m diep.
Hoeveel m² is het plein?Antwoord: m²
-
30.
Welke maat is even groot als 1,9 liter?
A 1.900 ml
B 19 ml
C 190.000 ml
D 19.000 ml
Antwoordblad
groep 7 · toets 202610Score: van de 30 goed
De stof van groep 7 die ongeveer tot en met oktober aan bod is geweest.
| Nr. | Antwoord | Onderwerp | Niveau |
|---|---|---|---|
| 1 | 9 | Breuken | uitdagend |
| 2 | € 5,- | Geld | gemiddeld |
| 3 | D juli | Tabellen en grafieken | gemiddeld |
| 4 | 15.000 | Vermenigvuldigen | gemiddeld |
| 5 | 4 uur | Tijd | basis |
| 6 | B 700 | Delen | gemiddeld |
| 7 | 6.000 | Grote getallen | gemiddeld |
| 8 | C 6900 | Grote getallen | gemiddeld |
| 9 | 5 m | Schaal | basis |
| 10 | 170 cm³ | Inhoud (volume) | basis |
| 11 | 7 m | Schaal | gemiddeld |
| 12 | 629 | Optellen en aftrekken | gemiddeld |
| 13 | 7 m | Schaal | basis |
| 14 | 4 m | Schaal | gemiddeld |
| 15 | C 58 | Getallenreeksen | gemiddeld |
| 16 | C 112 | Breuken | basis |
| 17 | B 37,3 °C | Temperatuur | basis |
| 18 | C vierennegentigduizend vijfhonderdnegenenzestig | Grote getallen | gemiddeld |
| 19 | 1,1 | Kommagetallen | basis |
| 20 | 9 | Delen | gemiddeld |
| 21 | 1,8 km | Schaal | uitdagend |
| 22 | 4 m | Schaal | basis |
| 23 | D donderdag | Tabellen en grafieken | gemiddeld |
| 24 | 3 km | Schaal | uitdagend |
| 25 | B 28 mei | Tijd | basis |
| 26 | 4 m | Schaal | gemiddeld |
| 27 | B 586 | Optellen en aftrekken | uitdagend |
| 28 | 20 | Breuken | gemiddeld |
| 29 | 72 m² | Omtrek en oppervlakte | uitdagend |
| 30 | A 1.900 ml | Maten omrekenen | uitdagend |
Uitwerkingen
1. Breuken
- 110 van 30 = 30 : 10 = 3
- 310 van 30 = 3 × 3 = 9
2. Geld
- Je betaalt € 20,- en het kost € 15,-.
- Tel door vanaf € 15,- tot € 20,-, of reken 20,00 − 15,00.
- Je krijgt € 5,- terug.
3. Tabellen en grafieken
- Zoek het grootste getal in de tabel: 92.
- Dat is bij juli.
4. Vermenigvuldigen
- Reken eerst zonder de nullen: 5 × 3 = 15
- Tel de nullen die je hebt weggelaten: 3 nullen.
- Zet die er weer achter: 15.000
5. Tijd
- 1 uur = 60 minuten.
- 240 : 60 = 4 uur
6. Delen
- Streep aan beide kanten evenveel nullen weg: 28.000 : 40 is hetzelfde als 2.800 : 4
- Denk aan de tafel van 4: 4 × 7 = 28, dus 4 × 700 = 2.800
- 2.800 : 4 = 700
- Controle: 700 × 40 = 28.000 ✓
7. Grote getallen
- Splits het getal: 26.351 = 20.000 + 6.000 + 300 + 50 + 1
- De 6 staat op de plaats van de duizendtallen.
- Dus de 6 is 6.000 waard.
8. Grote getallen
- Afronden op honderdtallen: kijk naar het cijfer rechts daarvan, op de plaats van de tientallen.
- Dat cijfer is een 6. Dat is 5 of meer, dus rond je naar boven af.
- 6867 wordt 6900
9. Schaal
- Schaal 1 : 100 betekent: 1 cm op de tekening is 100 cm in het echt.
- 5 cm → 5 × 100 = 500 cm
- 500 cm = 5 m (100 cm = 1 m)
10. Inhoud (volume)
- Onthoud: 1 ml = 1 cm³.
- Dus 170 ml = 170 cm³
11. Schaal
- Schaal 1 : 100 betekent: 1 cm op de tekening is 100 cm in het echt.
- 7 cm → 7 × 100 = 700 cm
- 700 cm = 7 m (100 cm = 1 m)
12. Optellen en aftrekken
- Zet de getallen onder elkaar en tel cijferend op, van rechts naar links:
- Eenheden: 3 + 6 = 9
- Tientallen: 8 + 4 = 12, schrijf 2 op en onthoud 1
- Honderdtallen: 2 + 3 + 1 (onthouden) = 6
- 283 + 346 = 629
13. Schaal
- Schaal 1 : 100 betekent: 1 cm op de tekening is 100 cm in het echt.
- 7 cm → 7 × 100 = 700 cm
- 700 cm = 7 m (100 cm = 1 m)
14. Schaal
- Schaal 1 : 100 betekent: 1 cm op de tekening is 100 cm in het echt.
- 4 cm → 4 × 100 = 400 cm
- 400 cm = 4 m (100 cm = 1 m)
15. Getallenreeksen
- Er komt steeds 9 bij.
- 49 → 58
16. Breuken
- Maak de breuken gelijknamig (noemer 12):
- 14 = 312 12 = 612 112 blijft 112 34 = 912
- Vergelijk nu de tellers.
- Het kleinst is 112.
17. Temperatuur
- Tussen twee hele graden zitten 10 streepjes: elk streepje is 0,1 graad. Het langere streepje in het midden is een halve graad.
- De rode streep staat 3 streepjes boven de 37.
- Dat is 37,3 °C
18. Grote getallen
- Knip het getal in stukken: vierennegentigduizend = 94.000; vijfhonderdnegenenzestig = 569
- Samen: vierennegentigduizend vijfhonderdnegenenzestig
19. Kommagetallen
- Zet de komma's precies onder elkaar: 4,2 − 3,1
- Reken uit zoals met hele getallen en zet de komma op dezelfde plek: 1,1
20. Delen
- 28 : 3 — hoe vaak past 3 in 28?
- 9 × 3 = 27, en 28 − 27 = 1
- Dus 28 : 3 = 9 rest 1.
- De 1 die overblijft, is niet genoeg voor nog een spelletje. Het antwoord is 9
21. Schaal
- Schaal 1 : 20.000 betekent: 1 cm op de kaart is 20.000 cm in het echt.
- 9 cm → 9 × 20.000 = 180.000 cm
- 180.000 cm = 1.800 m (100 cm = 1 m)
- 1.800 m = 1,8 km (1.000 m = 1 km)
22. Schaal
- Schaal 1 : 100 betekent: 1 cm op de tekening is 100 cm in het echt.
- 4 cm → 4 × 100 = 400 cm
- 400 cm = 4 m (100 cm = 1 m)
23. Tabellen en grafieken
- Zoek de hoogste staaf.
- Dat is donderdag met 60.
24. Schaal
- Schaal 1 : 100.000 betekent: 1 cm op de kaart is 100.000 cm in het echt.
- 3 cm → 3 × 100.000 = 300.000 cm
- 300.000 cm = 3.000 m (100 cm = 1 m)
- 3.000 m = 3 km (1.000 m = 1 km)
25. Tijd
- 5 + 23 = 28.
- Het is 28 mei.
26. Schaal
- Schaal 1 : 200 betekent: 1 cm op de tekening is 200 cm in het echt.
- 2 cm → 2 × 200 = 400 cm
- 400 cm = 4 m (100 cm = 1 m)
27. Optellen en aftrekken
- Haal 16.757 er in stukjes af (rijgen): 16.000 + 700 + 57
- 17.343 − 16.000 = 1.343
- 1.343 − 700 = 643
- 643 − 57 = 586
- Controle: 586 + 16.757 = 17.343 ✓
28. Breuken
- In 1 heel zitten 5 vijfden.
- In 4 helen zitten 4 × 5 = 20 vijfden.
- Dus 20 vijfden.
29. Omtrek en oppervlakte
- Verdeel de figuur in twee rechthoeken.
- Onderste rechthoek: 9 × 7 = 63 m²
- De bovenste rechthoek is 10 − 7 = 3 m hoog.
- Bovenste rechthoek: 3 × 3 = 9 m²
- Samen: 63 + 9 = 72 m²
30. Maten omrekenen
Maten-trap kl hl dal l dl cl ml van naar - Van l naar ml zijn 3 stappen naar een kleinere maat. Elke stap is × 10, dus samen × 1000.
- 1,9 × 1.000 = 1.900 ml