Proeftoets rekenen
Naam:
Datum:
Je hebt 45 minuten voor 30 sommen. Een rekenmachine mag niet, kladpapier wel. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een som niet? Ga door en kom er later op terug.
-
1.
6363 : … = 63,63
Welk getal hoort op de puntjes?Antwoord:
-
2.
Welk getal hoort op de puntjes?
23 = …15Antwoord:
-
3.
Een bakker verkocht een paar dagen lang zoveel broden per dag: 149, 176, 119, 106 en 180.
Hoeveel broden verkocht de bakker gemiddeld per dag?Antwoord: broden
-
4.
Welke temperatuur is het laagst (het koudst)?
A −13 °C
B 2 °C
C 10 °C
D 17 °C
-
5.
Tess begint om 10.15 uur aan een puzzel en is om 11.30 uur klaar.
Hoe lang is Tess bezig?Antwoord: uur min
-
6.
Een driehoekige sticker heeft een rechte hoek. De zijden langs de rechte hoek zijn 20 cm en 9 cm.
Wat is de oppervlakte?Antwoord: cm²
-
7.
Reken uit: 87.800 + 26.691
A 3.491
B 114.491
C 114.501
D 115.491
-
8.
4 stripboeken kosten samen € 19,-.
Wat kosten 9 stripboeken?A € 38,-
B € 85,50
C € 42,75
D € 47,50
-
9.
7 m³ = … dm³
Antwoord: dm³
-
10.
Hoeveel boeken zijn er in groep 7 meer gelezen dan in groep 8?
Antwoord:
-
11.
Een vrachtwagen rijdt 2 uur met een snelheid van 80 km per uur.
Hoeveel kilometer is dat?Antwoord: km
-
12.
Je wilt 3 ijsjes kopen.
Wat is het voordeligst?
A: € 1,60 per stuk, maar 3 halen, 2 betalen
B: € 0,60 per stukA Aanbieding A
B Aanbieding B
C Ze zijn even duur
-
13.
Op een plattegrond met schaal 1 : 200 is de tuin 6 cm lang.
Hoe lang is de tuin in het echt?Antwoord: m
-
14.
Een balk is 5 cm lang, 5 cm breed en 2 cm hoog.
Wat is de inhoud?Antwoord: cm³
-
15.
Reken uit: 47 − 17 + 10
A 20
B 39
C 40
D 80
-
16.
Op een school zitten 120 leerlingen. 6 leerlingen komen lopend naar school.
Hoeveel procent van de leerlingen komt lopend?A 5%
B 95%
C 15%
D 6%
-
17.
Rond 491.409 af op honderdtallen.
Antwoord:
-
18.
Welk getal komt hierna?
2481632…A 65
B 63
C 128
D 64
-
19.
23 van 33 = ?
A 22
B 33
C 16
D 11
-
20.
Op school zitten 800 leerlingen. 20% daarvan komt op de fiets.
Hoeveel leerlingen komen op de fiets?Antwoord: leerlingen
-
21.
Welke maat is even groot als 490 g?
A 49 kg
B 4,9 kg
C 0,49 kg
D 0,049 kg
-
22.
In een theater zijn 33 rijen met elk 48 stoelen.
Hoeveel stoelen zijn er?Antwoord:
-
23.
Er wachten 47 mensen op de lift. De lift kan 5 mensen tegelijk meenemen.
Hoe vaak moet de lift minstens naar boven?Antwoord:
-
24.
Schrijf 10% als kommagetal.
Antwoord:
-
25.
Hoeveel derden zitten er in 813?
Antwoord:
-
26.
Welk kommagetal is gelijk aan 12?
A 0,12
B 1,2
C 2,1
D 0,5
-
27.
Welk antwoord ligt het dichtst bij de uitkomst van 1.016 + 6.180?
A 720
B 6.200
C 7.200
D 72.000
-
28.
Op een tent van € 80,- krijg je 25% korting.
Hoeveel moet je nog betalen?Antwoord: €
-
29.
In een fles zit 3 liter thee. In elk glas gaat 250 ml.
Hoeveel glazen kun je vullen?Antwoord:
-
30.
32 − 30,702 = ?
Antwoord:
Antwoordblad
groep 8 · toets 202610Score: van de 30 goed
| Nr. | Antwoord | Onderwerp | Niveau |
|---|---|---|---|
| 1 | 100 | Kommagetallen | gemiddeld |
| 2 | 10 | Breuken | gemiddeld |
| 3 | 146 broden | Gemiddelde | gemiddeld |
| 4 | A −13 °C | Negatieve getallen | uitdagend |
| 5 | 1 uur 15 min | Tijd | basis |
| 6 | 90 cm² | Omtrek en oppervlakte | gemiddeld |
| 7 | B 114.491 | Optellen en aftrekken | gemiddeld |
| 8 | C € 42,75 | Verhoudingstabel | uitdagend |
| 9 | 7000 dm³ | Inhoud (volume) | gemiddeld |
| 10 | 60 | Tabellen en grafieken | gemiddeld |
| 11 | 160 km | Snelheid | basis |
| 12 | B Aanbieding B | Geld | uitdagend |
| 13 | 12 m | Schaal | basis |
| 14 | 50 cm³ | Inhoud (volume) | basis |
| 15 | C 40 | Volgorde van bewerkingen | gemiddeld |
| 16 | A 5% | Procenten | uitdagend |
| 17 | 491.400 | Grote getallen | gemiddeld |
| 18 | D 64 | Getallenreeksen | basis |
| 19 | A 22 | Breuken | gemiddeld |
| 20 | 160 leerlingen | Procenten | gemiddeld |
| 21 | C 0,49 kg | Maten omrekenen | gemiddeld |
| 22 | 1584 | Vermenigvuldigen | gemiddeld |
| 23 | 10 | Delen | basis |
| 24 | 0,1 | Breuk, kommagetal en procent | basis |
| 25 | 25 | Breuken | gemiddeld |
| 26 | D 0,5 | Breuk, kommagetal en procent | gemiddeld |
| 27 | C 7.200 | Schatten | basis |
| 28 | € 60,- | Procenten | basis |
| 29 | 12 | Maten omrekenen | uitdagend |
| 30 | 1,298 | Kommagetallen | uitdagend |
Uitwerkingen
1. Kommagetallen
- De komma is 2 plaatsen naar links geschoven.
- Dus het getal is 100.
2. Breuken
- Een breuk blijft even groot als je teller én noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigt.
- De noemer: 3 × 5 = 15. Dus vermenigvuldig je met 5.
- De teller wordt 2 × 5 = 10
3. Gemiddelde
- Tel alles op: 149 + 176 + 119 + 106 + 180 = 730
- Deel door het aantal (5): 730 : 5 = 146
4. Negatieve getallen
- Hoe verder onder nul, hoe kouder. −5 is kouder dan −2.
- Het laagst is −13 °C
5. Tijd
- Tel door vanaf 10.15 uur.
- 10.15 uur → 11.00 uur: 45 min
- 11.00 uur → 11.30 uur: 30 min
- Minuten samen: 45 + 30 = 75 min = 1 uur en 15 minuten
- Samen: 1 uur en 15 minuten
6. Omtrek en oppervlakte
- Een rechthoekige driehoek is de helft van een rechthoek.
- Rechthoek: 20 × 9 = 180 cm²
- De helft: 180 : 2 = 90 cm²
7. Optellen en aftrekken
- Zet de getallen onder elkaar en tel cijferend op, van rechts naar links:
- Eenheden: 0 + 1 = 1
- Tientallen: 0 + 9 = 9
- Honderdtallen: 8 + 6 = 14, schrijf 4 op en onthoud 1
- Duizendtallen: 7 + 6 + 1 (onthouden) = 14, schrijf 4 op en onthoud 1
- Tienduizendtallen: 8 + 2 + 1 (onthouden) = 11, schrijf 1 op en onthoud 1
- Schrijf de 1 die je nog onthoudt vooraan.
- 87.800 + 26.691 = 114.491
8. Verhoudingstabel
- Maak een verhoudingstabel. Boven en onder doe je steeds hetzelfde: van 4 naar 1 is : 4, van 1 naar 9 is × 9.
stripboeken 4 1 9 prijs € 19,- € 4,75 € 42,75 - 9 stripboeken kosten € 42,75
9. Inhoud (volume)
- Bij kubieke maten is elke stap × 1000 (want 1 dm³ = 10 cm × 10 cm × 10 cm = 1000 cm³).
Maten-trap m³ dm³ cm³ van naar - Van m³ naar dm³ is 1 stap naar een kleinere maat. Elke stap is × 1000.
- 7 × 1000 = 7000 dm³
10. Tabellen en grafieken
- Lees af: groep 7: 100, groep 8: 40. (Let op: van de ene hulplijn naar de volgende is 20, halverwege is dus 10 erbij.)
- 100 − 40 = 60
11. Snelheid
- 80 km per uur betekent: in 60 minuten 80 km.
- Maak een verhoudingstabel. Boven en onder doe je steeds hetzelfde: van 60 naar 120 is × 2.
minuten 60 120 kilometer 80 160 - Dat is 160 km.
12. Geld
- Reken uit wat 3 ijsjes kosten.
- A: je betaalt er maar 2, dus 2 × € 1,60 = € 3,20
- B: 3 × € 0,60 = € 1,80
- Het voordeligst: Aanbieding B.
13. Schaal
- Schaal 1 : 200 betekent: 1 cm op de tekening is 200 cm in het echt.
- 6 cm → 6 × 200 = 1200 cm
- 1200 cm = 12 m (100 cm = 1 m)
14. Inhoud (volume)
- Inhoud van een balk = lengte × breedte × hoogte.
- 5 × 5 = 25
- 25 × 2 = 50 cm³
15. Volgorde van bewerkingen
- Volgorde: eerst wat tussen haakjes staat, dan keer en delen, dan plus en min. Bij gelijke soorten werk je van links naar rechts.
- Alleen min en plus: werk van links naar rechts.
- 47 − 17 = 30
- 30 + 10 = 40
- Het antwoord is 40
16. Procenten
- 6 van de 120 is 6120.
- Vereenvoudig de breuk: 6120 = 120
- Maak de noemer 100: teller en noemer × 5 geeft 5100
- 5100 is 5%
17. Grote getallen
- Afronden op honderdtallen: kijk naar het cijfer rechts daarvan, op de plaats van de tientallen.
- Dat cijfer is een 0. Dat is minder dan 5, dus rond je naar beneden af.
- 491.409 wordt 491.400
18. Getallenreeksen
- Elk getal is 2 keer zo groot als het vorige (× 2).
- 32 → 64
19. Breuken
- 13 van 33 = 33 : 3 = 11
- 23 van 33 = 2 × 11 = 22
20. Procenten
- Reken eerst 10% uit: 800 : 10 = 80
- 20% is 2 keer zoveel: 2 × 80 = 160
21. Maten omrekenen
Maten-trap kg hg dag g dg cg mg naar van - Van g naar kg zijn 3 stappen naar een grotere maat. Elke stap is : 10, dus samen : 1000.
- 490 : 1000 = 0,49 kg
22. Vermenigvuldigen
- Splits 48 in 40 en 8.
- 40 × 33 = 1320
- 8 × 33 = 264
- Samen: 1320 + 264 = 1584
23. Delen
- 47 : 5 — hoe vaak past 5 in 47?
- 9 × 5 = 45, en 47 − 45 = 2
- Dus 47 : 5 = 9 rest 2.
- Er blijven er 2 over. Daarvoor moet de lift nog een keer naar boven: 9 + 1 = 10
24. Breuk, kommagetal en procent
- Procent betekent 'van de honderd': 10% = 10 : 100
- 10 : 100 = 0,1
25. Breuken
- In 1 heel zitten 3 derden.
- In 8 helen zitten 8 × 3 = 24 derden.
- Plus nog 1: 24 + 1 = 25
26. Breuk, kommagetal en procent
- Maak de noemer 10: teller en noemer × 5 geeft 510
- 510 = 0,5 (tienden)
27. Schatten
- Rond eerst af: 1.016 ≈ 1.000 en 6.180 ≈ 6.200
- 1.000 + 6.200 = 7.200
28. Procenten
- Reken eerst uit hoeveel korting je krijgt.
- 25% is een kwart: € 80,- : 4 = € 20,-
- Haal de korting van de prijs af: € 80,- − € 20,- = € 60,-
29. Maten omrekenen
- Reken eerst alles om naar ml: 3 liter = 3 × 1000 = 3000 ml.
- 3000 : 250 = 12
30. Kommagetallen
- Zet de komma's precies onder elkaar. Vul aan met nullen: 32,000 − 30,702
- Reken uit zoals met hele getallen en zet de komma op dezelfde plek: 1,298