← Terug Download als PDF
Reken Maar Raak groep 8 · toets 202610

Proeftoets rekenen

Naam:

Datum:

Je hebt 45 minuten voor 30 sommen. Een rekenmachine mag niet, kladpapier wel. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een som niet? Ga door en kom er later op terug.

  1. 1.
    6363 : … = 63,63
    Welk getal hoort op de puntjes?

    Antwoord:

  2. 2.
    Welk getal hoort op de puntjes?
    23 = …15

    Antwoord:

  3. 3.
    Een bakker verkocht een paar dagen lang zoveel broden per dag: 149, 176, 119, 106 en 180.
    Hoeveel broden verkocht de bakker gemiddeld per dag?

    Antwoord: broden

  4. 4.
    Welke temperatuur is het laagst (het koudst)?

    A −13 °C

    B 2 °C

    C 10 °C

    D 17 °C

  5. 5.
    Tess begint om 10.15 uur aan een puzzel en is om 11.30 uur klaar.
    Hoe lang is Tess bezig?

    Antwoord: uur min

  6. 6.
    Een driehoekige sticker heeft een rechte hoek. De zijden langs de rechte hoek zijn 20 cm en 9 cm.
    Wat is de oppervlakte?
    20 cm 9 cm

    Antwoord: cm²

  7. 7.
    Reken uit: 87.800 + 26.691

    A 3.491

    B 114.491

    C 114.501

    D 115.491

  8. 8.
    4 stripboeken kosten samen € 19,-.
    Wat kosten 9 stripboeken?

    A € 38,-

    B € 85,50

    C € 42,75

    D € 47,50

  9. 9.
    7 m³ = … dm³

    Antwoord: dm³

  10. 10.
    Hoeveel boeken zijn er in groep 7 meer gelezen dan in groep 8?
    Gelezen boeken per groep 0 20 40 60 80 100 120 140 160 groep 4 groep 5 groep 6 groep 7 groep 8

    Antwoord:

  11. 11.
    Een vrachtwagen rijdt 2 uur met een snelheid van 80 km per uur.
    Hoeveel kilometer is dat?

    Antwoord: km

  12. 12.
    Je wilt 3 ijsjes kopen.
    Wat is het voordeligst?
    A: € 1,60 per stuk, maar 3 halen, 2 betalen
    B: € 0,60 per stuk

    A Aanbieding A

    B Aanbieding B

    C Ze zijn even duur

  13. 13.
    Op een plattegrond met schaal 1 : 200 is de tuin 6 cm lang.
    Hoe lang is de tuin in het echt?

    Antwoord: m

  14. 14.
    Een balk is 5 cm lang, 5 cm breed en 2 cm hoog.
    Wat is de inhoud?
    5 cm 2 cm 5 cm

    Antwoord: cm³

  15. 15.
    Reken uit: 47 − 17 + 10

    A 20

    B 39

    C 40

    D 80

  16. 16.
    Op een school zitten 120 leerlingen. 6 leerlingen komen lopend naar school.
    Hoeveel procent van de leerlingen komt lopend?

    A 5%

    B 95%

    C 15%

    D 6%

  17. 17.
    Rond 491.409 af op honderd­tallen.

    Antwoord:

  18. 18.
    Welk getal komt hierna?
    2481632…

    A 65

    B 63

    C 128

    D 64

  19. 19.
    23 van 33 = ?

    A 22

    B 33

    C 16

    D 11

  20. 20.
    Op school zitten 800 leerlingen. 20% daarvan komt op de fiets.
    Hoeveel leerlingen komen op de fiets?

    Antwoord: leerlingen

  21. 21.
    Welke maat is even groot als 490 g?

    A 49 kg

    B 4,9 kg

    C 0,49 kg

    D 0,049 kg

  22. 22.
    In een theater zijn 33 rijen met elk 48 stoelen.
    Hoeveel stoelen zijn er?

    Antwoord:

  23. 23.
    Er wachten 47 mensen op de lift. De lift kan 5 mensen tegelijk meenemen.
    Hoe vaak moet de lift minstens naar boven?

    Antwoord:

  24. 24.
    Schrijf 10% als kommagetal.

    Antwoord:

  25. 25.
    Hoeveel derden zitten er in 813?

    Antwoord:

  26. 26.
    Welk kommagetal is gelijk aan 12?

    A 0,12

    B 1,2

    C 2,1

    D 0,5

  27. 27.
    Welk antwoord ligt het dichtst bij de uitkomst van 1.016 + 6.180?

    A 720

    B 6.200

    C 7.200

    D 72.000

  28. 28.
    Op een tent van € 80,- krijg je 25% korting.
    Hoeveel moet je nog betalen?

    Antwoord: €

  29. 29.
    In een fles zit 3 liter thee. In elk glas gaat 250 ml.
    Hoeveel glazen kun je vullen?

    Antwoord:

  30. 30.
    32 − 30,702 = ?

    Antwoord:

Antwoordblad

groep 8 · toets 202610

Score: van de 30 goed

Nr. Antwoord Onderwerp Niveau
1 100 Kommagetallen gemiddeld
2 10 Breuken gemiddeld
3 146 broden Gemiddelde gemiddeld
4 A −13 °C Negatieve getallen uitdagend
5 1 uur 15 min Tijd basis
6 90 cm² Omtrek en oppervlakte gemiddeld
7 B 114.491 Optellen en aftrekken gemiddeld
8 C € 42,75 Verhoudingstabel uitdagend
9 7000 dm³ Inhoud (volume) gemiddeld
10 60 Tabellen en grafieken gemiddeld
11 160 km Snelheid basis
12 B Aanbieding B Geld uitdagend
13 12 m Schaal basis
14 50 cm³ Inhoud (volume) basis
15 C 40 Volgorde van bewerkingen gemiddeld
16 A 5% Procenten uitdagend
17 491.400 Grote getallen gemiddeld
18 D 64 Getallenreeksen basis
19 A 22 Breuken gemiddeld
20 160 leerlingen Procenten gemiddeld
21 C 0,49 kg Maten omrekenen gemiddeld
22 1584 Vermenigvuldigen gemiddeld
23 10 Delen basis
24 0,1 Breuk, kommagetal en procent basis
25 25 Breuken gemiddeld
26 D 0,5 Breuk, kommagetal en procent gemiddeld
27 C 7.200 Schatten basis
28 € 60,- Procenten basis
29 12 Maten omrekenen uitdagend
30 1,298 Kommagetallen uitdagend

Uitwerkingen

1. Kommagetallen

  1. De komma is 2 plaatsen naar links geschoven.
  2. Dus het getal is 100.

2. Breuken

  1. Een breuk blijft even groot als je teller én noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigt.
  2. De noemer: 3 × 5 = 15. Dus vermenigvuldig je met 5.
  3. De teller wordt 2 × 5 = 10

3. Gemiddelde

  1. Tel alles op: 149 + 176 + 119 + 106 + 180 = 730
  2. Deel door het aantal (5): 730 : 5 = 146

4. Negatieve getallen

  1. Hoe verder onder nul, hoe kouder. −5 is kouder dan −2.
  2. Het laagst is −13 °C

5. Tijd

  1. Tel door vanaf 10.15 uur.
  2. 10.15 uur → 11.00 uur: 45 min
  3. 11.00 uur → 11.30 uur: 30 min
  4. Minuten samen: 45 + 30 = 75 min = 1 uur en 15 minuten
  5. Samen: 1 uur en 15 minuten

6. Omtrek en oppervlakte

  1. Een rechthoekige driehoek is de helft van een rechthoek.
  2. Rechthoek: 20 × 9 = 180 cm²
  3. De helft: 180 : 2 = 90 cm²

7. Optellen en aftrekken

  1. Zet de getallen onder elkaar en tel cijferend op, van rechts naar links:
  2. Eenheden: 0 + 1 = 1
  3. Tientallen: 0 + 9 = 9
  4. Honderdtallen: 8 + 6 = 14, schrijf 4 op en onthoud 1
  5. Duizendtallen: 7 + 6 + 1 (onthouden) = 14, schrijf 4 op en onthoud 1
  6. Tien­duizend­tallen: 8 + 2 + 1 (onthouden) = 11, schrijf 1 op en onthoud 1
  7. Schrijf de 1 die je nog onthoudt vooraan.
  8. 87.800 + 26.691 = 114.491

8. Verhoudingstabel

  1. Maak een verhoudingstabel. Boven en onder doe je steeds hetzelfde: van 4 naar 1 is : 4, van 1 naar 9 is × 9.
  2. stripboeken 4 1 9
    prijs € 19,- € 4,75 € 42,75
  3. 9 stripboeken kosten € 42,75

9. Inhoud (volume)

  1. Bij kubieke maten is elke stap × 1000 (want 1 dm³ = 10 cm × 10 cm × 10 cm = 1000 cm³).
  2. Maten-trap
    m³ dm³ cm³
    van naar
  3. Van m³ naar dm³ is 1 stap naar een kleinere maat. Elke stap is × 1000.
  4. 7 × 1000 = 7000 dm³

10. Tabellen en grafieken

  1. Lees af: groep 7: 100, groep 8: 40. (Let op: van de ene hulplijn naar de volgende is 20, halverwege is dus 10 erbij.)
  2. 100 − 40 = 60

11. Snelheid

  1. 80 km per uur betekent: in 60 minuten 80 km.
  2. Maak een verhoudingstabel. Boven en onder doe je steeds hetzelfde: van 60 naar 120 is × 2.
  3. minuten 60 120
    kilometer 80 160
  4. Dat is 160 km.

12. Geld

  1. Reken uit wat 3 ijsjes kosten.
  2. A: je betaalt er maar 2, dus 2 × € 1,60 = € 3,20
  3. B: 3 × € 0,60 = € 1,80
  4. Het voordeligst: Aanbieding B.

13. Schaal

  1. Schaal 1 : 200 betekent: 1 cm op de tekening is 200 cm in het echt.
  2. 6 cm → 6 × 200 = 1200 cm
  3. 1200 cm = 12 m (100 cm = 1 m)

14. Inhoud (volume)

  1. Inhoud van een balk = lengte × breedte × hoogte.
  2. 5 × 5 = 25
  3. 25 × 2 = 50 cm³

15. Volgorde van bewerkingen

  1. Volgorde: eerst wat tussen haakjes staat, dan keer en delen, dan plus en min. Bij gelijke soorten werk je van links naar rechts.
  2. Alleen min en plus: werk van links naar rechts.
  3. 47 − 17 = 30
  4. 30 + 10 = 40
  5. Het antwoord is 40

16. Procenten

  1. 6 van de 120 is 6120.
  2. Vereenvoudig de breuk: 6120 = 120
  3. Maak de noemer 100: teller en noemer × 5 geeft 5100
  4. 5100 is 5%

17. Grote getallen

  1. Afronden op honderd­tallen: kijk naar het cijfer rechts daarvan, op de plaats van de tientallen.
  2. Dat cijfer is een 0. Dat is minder dan 5, dus rond je naar beneden af.
  3. 491.409 wordt 491.400

18. Getallenreeksen

  1. Elk getal is 2 keer zo groot als het vorige (× 2).
  2. 32 → 64

19. Breuken

  1. 13 van 33 = 33 : 3 = 11
  2. 23 van 33 = 2 × 11 = 22

20. Procenten

  1. Reken eerst 10% uit: 800 : 10 = 80
  2. 20% is 2 keer zoveel: 2 × 80 = 160

21. Maten omrekenen

  1. Maten-trap
    kg hg dag g dg cg mg
    naar van
  2. Van g naar kg zijn 3 stappen naar een grotere maat. Elke stap is : 10, dus samen : 1000.
  3. 490 : 1000 = 0,49 kg

22. Vermenigvuldigen

  1. Splits 48 in 40 en 8.
  2. 40 × 33 = 1320
  3. 8 × 33 = 264
  4. Samen: 1320 + 264 = 1584

23. Delen

  1. 47 : 5 — hoe vaak past 5 in 47?
  2. 9 × 5 = 45, en 47 − 45 = 2
  3. Dus 47 : 5 = 9 rest 2.
  4. Er blijven er 2 over. Daarvoor moet de lift nog een keer naar boven: 9 + 1 = 10

24. Breuk, kommagetal en procent

  1. Procent betekent 'van de honderd': 10% = 10 : 100
  2. 10 : 100 = 0,1

25. Breuken

  1. In 1 heel zitten 3 derden.
  2. In 8 helen zitten 8 × 3 = 24 derden.
  3. Plus nog 1: 24 + 1 = 25

26. Breuk, kommagetal en procent

  1. Maak de noemer 10: teller en noemer × 5 geeft 510
  2. 510 = 0,5 (tienden)

27. Schatten

  1. Rond eerst af: 1.016 ≈ 1.000 en 6.180 ≈ 6.200
  2. 1.000 + 6.200 = 7.200

28. Procenten

  1. Reken eerst uit hoeveel korting je krijgt.
  2. 25% is een kwart: € 80,- : 4 = € 20,-
  3. Haal de korting van de prijs af: € 80,- − € 20,- = € 60,-

29. Maten omrekenen

  1. Reken eerst alles om naar ml: 3 liter = 3 × 1000 = 3000 ml.
  2. 3000 : 250 = 12

30. Kommagetallen

  1. Zet de komma's precies onder elkaar. Vul aan met nullen: 32,000 − 30,702
  2. Reken uit zoals met hele getallen en zet de komma op dezelfde plek: 1,298